‘Dopingregels net zo belangrijk als buitenspelregel’
Het overgrote deel (95%)
van de Nederlandse sporters vindt dat de sport 100% dopingvrij moet zijn. Dat
blijkt uit het deze maand gepresenteerde onderzoek “De Nederlandse topsporter
en het antidopingbeleid”. ‘Dan moet je als sporter ook niet negatief doen over
de dopingregels en de gevolgen daarvan voor de individuele sporter’, vindt
Jeroen Straathof, voorzitter van de AtletenCommissie van NOC*NSF.
‘Je kunt het wel een beetje vergelijken met het betalen van de belasting’, maakt Jeroen Straathof een niet meteen voor de hand liggende vergelijking. ‘Iedereen weet dat het heffen van belastingen nodig is om allerlei voorzieningen in het land mogelijk te maken. Zonder belastinggeld geen scholen, ziekenhuizen of nieuwe wegen. Niemand staat echter te trappelen van plezier om persoonlijk veel belasting te betalen. Met doping is het net zo. De overgrote meerderheid van alle sporters vindt dat de sport vrij van doping moet zijn.
Topsportenquête
Het deze maand gepresenteerde onderzoek bevestigt deze
houding nogmaals. Minder positief staat een deel van de sporter tegenover
sommige consequenties van dat antidopingsbeleid, wijst datzelfde onderzoek uit.
Met name het doorgeven van de whereabouts ondervindt kritiek. 'Inderdaad is het voor
topsporters niet gemakkelijk om steeds hun whereabouts te moeten aanleveren. De
techniek is verre van volmaakt. Daar valt zeker veel aan te verbeteren. Maar de
maatregel op zich is nu eenmaal een onderdeel van een beleid waarvan we samen
vinden dat dit noodzakelijk is om dopingvrije sport mogelijk te maken.’
Beeldvorming
‘Ik vind dat je als sporter niet negatief moet doen over de
praktische gevolgen van het dopingbeleid. Dat draagt bij aan een negatieve
beeldvorming van het antidopingbeleid in zijn geheel. Dat het dopingbeleid iets
is waarvan je alleen maar
last ondervindt. We
willen, onder andere via de 100% Dope Free campagne, juist uitdragen dat
het antidopingbeleid in zijn geheel de sport ten goede komt. Daar moet je dan
als sporter ook wat voor over hebben. Dat neemt niet weg dat de kritiek op de
praktische kanten van de uitvoering van het beleid serieus genomen moet
worden. Als AtletenCommissie zijn we dan ook met de Dopingautoriteit in gesprek
hoe een optimale balans gevonden kan worden tussen het uitvoeren van de
controles enerzijds en het gunnen van een zekere mate van vrijheid aan de
topsporter anderzijds. Met moderne communicatiemiddelen en goede ICT-voorzieningen
kan het sporters waarschijnlijk gemakkelijker gemaakt worden op korte termijn
wijzigingen aan te brengen in hun whereabouts. Dat zou hun individuele vrijheid
ten goede komen. Wat dat betreft kun je het handhaven van het dopingbeleid ook
met de belastingen vergelijken: leuker kan het niet, misschien wel
gemakkelijker.’
Olympische trilogie
Als sporter is Jeroen Straathof een van de weinige (de enige?) sporters ter wereld die heeft meegedaan op drie verschillende soorten Olympische Spelen. In 1994, twee jaar nadat hij wereldkampioen junioren langebaanschaatsen was geworden, schaatste hij tijdens de Winterspelen in Hamar op de 1500 meter naar een negende plaats. Twee jaar later werd hij in dezelfde schaatshal wereldkampioen op deze afstand. Tijdens de Paralympics in 2000 in Sydney veroverde hij als piloot op de tandem met de visueel gehandicapte baanwielrenner Jan Mulder Olympisch goud op de 4 km achtervolging. Tijdens de “gewone” Olympische Spelen in 2004 in Athene voltooide Jeroen zijn trilogie door bij het baanwielrennen op de ploegenachtervolging over 4 km op de vijfde plaats te eindigen.
Identieke werelden
Die brede sportcarrière leidt onvermijdelijk tot de vraag of
hij wat betreft de houding ten aanzien van het thema doping verschillen heeft
bemerkt tussen deze drie sportwerelden. ‘Eigenlijk niet’, luidt het
ontnuchterde antwoord. ‘Die drie sportwerelden zijn wat dat betreft vrijwel
identiek. In geen van die drie werelden heb ik dan ook dopinggebruik rondom mij
meegemaakt of ook maar een positieve houding bemerkt ten aanzien van het
gebruik van doping. Wat natuurlijk geen bewijs is dat er totaal geen doping is
gebruikt! Zelf was en ben ik nog steeds tegen het gebruik van elke vorm van
doping. Een verschil tussen de drie sportwerelden was wel dat in de wielersport
doping als gespreksonderwerp veel vaker ter tafel kwam dan in de schaatswereld.
Simpelweg als gevolg van de dopinggevallen waarmee de wegwielrennerij
regelmatig het nieuws haalt. Je merkt dan dat het negatieve imago dat de
wegwielrennerij hiermee over zichzelf afroept ook
uitstraalt naar de andere
takken van de wielrennerij. In de baanwielrennerij was doping daardoor eerder
onderwerp van gesprek dan in de
schaatssport, waar het aantal dopinggevallen nog steeds op de vingers van één
hand te tellen is’.
Spelregels respecteren
‘Op zich vind ik het trouwens wel positief als doping van tijd tot tijd onderwerp van gesprek is bij actieve sporters. Coaches, trainers maar ook familie en vrienden van een sporter zouden met enige regelmaat in een open sfeer met de sporter over doping moeten praten. Liefst al in een vroeg stadium van een eventuele sportcarrière. En daarbij natuurlijk expliciet aangeven dat het gebruik van doping niet mag en niet kan. Aangeven dat iedereen die doping gebruik niet alleen een einde maakt zijn eigen sportcarrière maar ook het imago van een hele tak van sport te grabbel gooit. Door dergelijke gesprekken te voeren moet het voor iedere sporter duidelijk zijn dat je je als sporter – zodra je een sport beoefend als lid van een sportbond - te houden hebt aan de spelregels die zijn opgesteld voor die sport. En dan niet alleen aan de spelregels voor het feitelijk uitoefenen van de sport, bijvoorbeeld de buitenspelregel bij het voetballen of het tijdig wisselen van baan bij het schaatsen, maar ook aan de regels die bepalen wat wel en niet is toegestaan om tot een bepaalde sportprestatie te komen. Zo moet het voor iedere sporter vanzelfsprekend worden dat het respecteren van de regels van het antidopingbeleid en de consequenties die dat met zich meebrengt net zo belangrijk is als het respecteren van bijvoorbeeld de buitenspelregel bij het voetballen of het tijdig wisselen van baan bij het schaatsen.’
