Doping verbieden of vrijgeven: de argumenten verkend

Deel 2: Over de grenzen aan keuzevrijheid en gezond gedrag

Topsporters zijn dagelijks bezig met het verbeteren van hun prestaties. Met dat doel voor ogen optimaliseren ze hun voeding, maken ze gebruik van ultramoderne trainingsfaciliteiten en hulpmiddelen, nemen ze de beste begeleiders in de arm en trekken ze sponsoren aan. Je kunt het zo gek niet bedenken: de mogelijkheden van sporters zijn legio. Maar doping gebruiken: dát mogen ze niet. Waarom eigenlijk niet? Er zijn vele redenen voor het dopingverbod. Deze reeks zet de belangrijkste op een rij (deel 1 vind je hier). In deze tweede editie: sporters hebben recht op keuzevrijheid, maar niet ten aanzien van doping.

'Dopinggebruik is ongezond'

Doping gebruiken is niet gezond en dat is een goede reden om het te verbieden. Het is wat kort door de bocht, maar in beginsel spant ‘de sport' zich ervoor in om de gezondheid van sporters zo veel mogelijk te waarborgen. Als prestatiebevorderende middelen aantoonbaar schadelijk zijn voor de gezondheid, plaatst het WADA die middelen daarom op de dopinglijst. Het lijkt logisch, maar hoe logisch is deze redenering nu echt?

Illegaal doping gebruiken: dát is pas ongezond! 

Is het niet beter voor de gezondheid van sporters om doping vrij te geven en tegelijk te zorgen voor goede voorlichting en medische begeleiding?

Clean topsport beoefenen is ook ongezond! 

Waarom mag een sporter wel topsport beoefenen en geen doping gebruiken?

Volwassen sporters zijn verstandig genoeg om zelf te beslissen over het gebruik van ‘hulpmiddelen'. 

Is het wel een taak van sportorganisaties om sporters tegen de gezondheidsrisico's van dopinggebruik te beschermen en om die reden bepaalde middelen te verbieden?

De genoemde argumenten komen regelmatig aan de orde in ‘de dopingdiscussie'. Hoe steekhoudend zijn ze?

Illegaal dopinggebruik: dát is pas ongezond!

Door doping te verbieden, stimuleer je alleen maar het illegale gebruik. Dat is toch veel ongezonder? Tegenstanders van het dopingverbod pleiten daarom vaak voor gebruik met medische begeleiding, een kwaliteitstoets voor dopinggeduide middelen en goede voorlichting door sportorganisaties. Volgens hen zou dat de beste manier zijn om de gezondheidsrisico's tot een minimum te beperken. Maar hebben ze gelijk?

Wie garandeert dat in een wereld waarin doping is vrijgegeven, het gebruik beperkt blijft tot een beperkt aantal middelen waarvan de gezondheidsrisico's bekend zijn en aanvaardbaar worden geacht? Wat gebeurt er dan als sporters een aanbod krijgen van een ‘louche' handelaar die belooft dat zijn middelen tot nóg betere prestaties leiden? Wie zegt dat sporters, in hun zoektocht naar onderscheidend vermogen, het aanbod van deze ‘louche' handelaar zullen afslaan?

Het is weliswaar onmogelijk om exact te voorspellen welke vormen het dopinggebruik zou aannemen in een wereld waarin dopinggebruik is toegestaan, maar het lijkt zeer waarschijnlijk dat de gezondheidsrisico's voor de sporter in een dergelijke wereld zeker niet kleiner zullen zijn dan in de sportomgeving van vandaag de dag. Het is allerminst zeker dat door legalisering aan het louche, medisch ongecontroleerde gebruik van doping een einde zou komen. Dat het vrijgeven van doping het illegale gebruik zou indammen, is daarom een waardeloos argument.

Cleane topsport is ook ongezond

De effecten van topsport op het menselijk lichaam zijn inderdaad niet onverdeeld positief. Weliswaar bouwen de meeste topsporters een flinke lichamelijke conditie op en beschikken ze over een meer dan gemiddeld ontwikkelde spiermassa, maar aan het bedrijven van topsport zit zeker ook een keerzijde. Als topsporter zoek je immers voortdurend de grenzen op van je fysieke kunnen en dat brengt risico's met zich mee. Denk maar eens aan het risico op blessures, overtraining en sportgerelateerde eetstoornissen bijvoorbeeld. Daarnaast is er het risico op ongelukken. Je kunt immers altijd van de fiets vallen, een ravijn in skiën of een trap van een paard krijgen.

"Als sportorganisaties die risico's accepteren, waarom accepteren ze dan niet de risico's van doping?" vragen tegenstanders van het dopingverbod dan ook. Het lijkt een reële vraag, maar we mogen niet vergeten dat sportorganisaties zich wel degelijk inspannen om de risico's voor sporters te beperken. Niet voor niets zijn wielrenners bijvoorbeeld verplicht om tijdens de meeste wedstrijden een helm te dragen en vinden we kussens tegen de boarding van ijsbanen. De sport is duidelijk bereid om medeverantwoordelijkheid voor de gezondheid van sporters te nemen.

Dat er grenzen zijn aan die verantwoordelijkheid is niet meer dan logisch. De wielrenner die verplicht is om een helm te dragen, bepaalt nog steeds zelf met welke snelheid hij de berghelling afraast. Sportorganisaties bepalen waar die grens ligt (ze zouden ook een maximumsnelheid kunnen hanteren of bepaalde bergen niet op kunnen nemen in hun parkoers). Dat de meningen over de grens met betrekking tot doping verschillen, wil niet zeggen dat je helemaal geen grens hoeft te trekken. Voor de wielrenner geldt dus: wel een helm, maar geen elleboogbeschermers. En wel een kop koffie, maar geen EPO (epoëtine). Zo simpel is het.

Volwassen sporters kunnen zelf beslissen

Maar zijn volwassen topsporters dan niet verstandig en capabel genoeg om zelf beslissingen te nemen over het gebruik van doping? Blijkbaar achten we hen niet in staat om zelf de risico's te beoordelen. ‘Paternalistisch' noemen tegenstanders van een dopingverbod dit: "Wie zijn die sportorganisaties die menen zo'n belangrijke keuze voor de sporters te moeten maken?" De vraag is echter in hoeverre het hier daadwerkelijk gaat over keuzevrijheid.

In een wereld waarin doping vrij beschikbaar is, zullen veel sporters de keuze om al dan niet doping te gebruiken namelijk helemaal niet als een keuze ervaren, maar als dwang. Sporters zullen zich gedwongen voelen om doping te gebruiken omdat hun concurrenten dat ook doen. Bovendien kun je in feite pas van een vrije keuze spreken als die is gebaseerd op goede en volledige informatie. Met betrekking tot doping is daarvan geen sprake: het gebruiksrisico is vaak zelfs deskundigen onbekend.

Dus wanneer tegenstanders van een dopingverbod het hebben over ‘de vrije keuze van sporters', is de vraag terecht hoe ‘vrij' die keuze in een van doping vergeven sportwereld nu echt is? Het antwoord op deze vraag verklaart waarom mensen vrij kunnen kiezen voor topsport (in plaats van amateursport) en bergsport (in plaats van biljarten), maar niet voor doping (in plaats van clean). Gaat het bij de keuze voor bergsport op topniveau inderdaad om een vrije keuze - die volwassen sporters heel goed zelf kunnen maken - in het geval van dopinggebruik is van een vrije keuze geen sprake. Voor jeugdige sporters, geldt dat nog veel sterker, aangezien zij in veel gevallen afhankelijk zijn van de mensen om hen heen. Doping verbieden is dan ook niet paternalistisch, maar beschermend. En dat is heel wat anders!

Maar hoe zit dat dan met andere beroepsgroepen?

Waarom mag een concertpianist wel een bètablokker tegen zijn trillende zweethanden slikken, en een boogschieter niet? Waarom mag een F16-piloot wel amfetaminen gebruiken om alert te blijven, maar accepteren we dat niet van een wielrenner? Dat heeft te maken met de ‘eigenheid van de sportpraktijk': sport is nu eenmaal geen muziek. Maar in welke cruciale opzichten de sport dan van (bijvoorbeeld) de muziek verschilt, lees je in de volgende aflevering in deze reeks.