Doping verbieden of vrijgeven: de kansen verkend
Deel 1: over de grenzen aan gelijke kansen
Topsporters zijn dagelijks bezig met het verbeteren van hun prestaties. Met dat doel voor ogen optimaliseren ze hun voeding, maken ze gebruik van ultramoderne trainingsfaciliteiten en hulpmiddelen, nemen ze de beste begeleiders in de arm en trekken ze sponsoren aan. Je kunt het zo gek niet bedenken: de mogelijkheden van sporters zijn legio. Maar doping gebruiken: dát mogen ze niet. Waarom eigenlijk niet? Er zijn vele redenen voor het dopingverbod. Deze reeks zet de belangrijkste op een rij. In deze editie: alle sporters verdienen in beginsel gelijke kansen, maar niet op doping.
‘Gelijke kansen'
Er zijn mensen - je zult ze wel kennen - die vinden dat dopinggebruik moet worden vrijgegeven. Iedere sporter kan dan immers zelf kiezen of hij (of zij) doping wil gebruiken om zijn prestaties te verbeteren. Als we nastreven dat alle sporters (zo veel mogelijk) gelijke kansen hebben, dan lijkt dat helemaal niet zo'n gekke gedachte natuurlijk. Hier zou je tegenin kunnen brengen dat in een wereld waarin doping is toegestaan, niet alle sporters automatisch over de beste doping kunnen beschikken. Maar dat is niets anders, zeggen tegenstanders van een dopingverbod, dan het feit dat niet alle sporters toegang hebben tot de beste medische zorg of de beste trainingsfaciliteiten. Of je zou kunnen aandragen dat niet alle sporters evenveel voordeel hebben van dopinggebruik. Maar dat is niets anders, zeggen de tegenstanders van het dopingverbod, dan het feit dat niet alle sporters evenveel van training en supplementen profiteren.Tóch is er een essentieel verschil tussen de ongelijkheid tussen sporters in een dopingvrije wereld en de ongelijkheid tussen sporters in een wereld waarin dopinggebruik is toegestaan. Dat verschil heeft te maken met de impact van doping. Hoe zit dat?
De impact van doping
Het is waar dat er tussen sporters onderling verschillen zijn in woonplaats, genetische aanleg, toegang tot trainingsfaciliteiten en financiële rijkdom, om maar eens wat te noemen. Een zwemmer in Eindhoven heeft het, qua trainingsfaciliteiten, nu eenmaal beter voor elkaar dan een zwemmer in Delfzijl. En - laten we zeggen - een marathonloper uit een hooggelegen bergdorp op Mount Kenya is in het voordeel bij zijn collega uit het laaggelegen Nederland. Alle sporters gelijke kansen? Nee, daar kunnen we kort over zijn: van gelijke kansen is geen sprake.
Maar we moeten de verschillen tussen sporters niet overdrijven. De praktijk heeft zichzelf zodanig georganiseerd dat die relatief klein zijn. Hoe vaak hebben we het in de sport niet over centimeters (of zelfs millimeters) en seconden (of honderdsten)? Doordat de verschillen klein zijn, blijft de competitie interessant. En dat is wat we willen. Daarom streven sportorganisaties (zoals sportbonden en het WADA) er voortdurend naar om alle sporters binnen een competitie zo veel mogelijk gelijke kansen te bieden. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat er verschillende competities bestaan voor mannen en vrouwen, voor verschillende leeftijdscategorieën en voor verschillende gewichtsklassen. De lol zou er snel af zijn als je jonge judoka's van 12 zou laten aantreden tegen volwassen kerels van 100 kilo, niet? De ongelijkheid tussen sporters binnen de competities is klein genoeg om de sport spannend en aantrekkelijk te houden. Daarom wordt die door ons allemaal geaccepteerd.
Zou het vrijgeven van doping deze door ons allemaal geaccepteerde situatie veranderen? Het antwoord is: ja! Door haar relatief grote impact op sportprestaties zou een vrij gebruik van doping de gevestigde orde volledig op zijn kop zetten. Doping verschaft naar verhouding namelijk veel grotere voordelen dan zaken als trainingsfaciliteiten, materiaal en woonplaats. De prestatiebevorderende werking van een deel van de dopinggeduide middelen is dusdanig, dat investeringen op vrijwel alle andere vlakken daarbij verbleken.
Stel dat dopinggebruik zou zijn toegestaan, dan zou de sport verworden tot een strijd tussen verschillende dopingvormen. Zoals het in de Formule 1 nu al grotendeels draait om de auto's en de kwaliteit van de coureur van ondergeschikt belang is geworden, zou het in andere sporten steeds meer gaan om de ‘kwaliteit' van de doping. Of sporters enorm hard hebben getraind, veel lef hebben of uitblinken in tactisch inzicht is dan allemaal niet zo belangrijk meer. Welke chemische preparaten ze hebben gebruikt, wordt dan het onderwerp van gesprek ‘langs de lijn'. Het is een bijna retorische vraag: ‘Willen wij echt dat de sport zo wordt?'
Waar leggen we de grens?
Natuurlijk is het moeilijk om te bepalen wat toelaatbaar is en wat niet. Je mag trainen, ook op grote hoogte, je mag voedingssupplementen slikken en vaak gebruikmaken van de allernieuwste materialen. Waarom ligt de grens bij de middelen op de dopinglijst? De keuze lijkt soms gekunsteld en regelmatig wordt er heftig gediscussieerd over de toelaatbaarheid van nieuwe vindingen. Bijvoorbeeld over zuurstoftenten, waarvan het WADA vooralsnog heeft besloten om die niet op de dopinglijst te zetten. Vergelijkbare discussies vinden plaats binnen andere sportorganisaties. De schaatsbond besloot in het verleden dat alle langebaanschaatsers op klapschaatsen mogen rijden, maar klapschaatsen die ook nog olie produceren of meer dan één scharnier hebben, die mogen weer niet. En wat vandaag geldt, hoeft morgen niet te gelden. Zwemmers werden onlangs nog geconfronteerd met het feit dat regels over wat mag en niet mag, kunnen veranderen. De Wereldzwembond FINA heeft namelijk besloten om de wildgroei aan snelle zwempakken drastisch in te dammen. Mochten zwemmers vorig jaar bijvoorbeeld nog een aantal zwempakken over elkaar heen dragen, dat is nu verboden.
Feit is dat er geen onomstreden grens is tussen wat mag en wat niet mag. Is het dan niet beter om die keuze te vermijden en (bijvoorbeeld) alle doping gewoon vrij te geven? Er bestaat inderdaad een grijs gebied (het is ook niet voor niets dat het WADA jaarlijks de dopinglijst evalueert). Maar dat er een grijs gebied bestaat, betekent toch niet dat we dan maar helemaal geen grens meer moeten trekken? Tegenstanders van een dopingverbod zetten hier hun vraagtekens bij. Maar als je ze vraagt wat ze ervan zouden vinden als Lance Armstrong komende zomer op een motorfiets aan de start van de Tour verschijnt, dan zouden ze lachend zeggen dat dát natuurlijk niet toelaatbaar is. Blijkbaar trekken zij toch ook een grens.
Daarbij verwijzen ze meestal naar de formele spelregels. De Tour op een motor rijden is op grond van die spelregels verboden. Dat heet ‘cheating'. Dopinggebruik heeft daarentegen veel vaker betrekking op het gedrag van sporters buiten wedstrijdverband, zo zeggen ze. Maar maakt dat dan verschil?
Wanneer de term ‘spelregels' minder eng wordt gedefinieerd - en ook alle regels in ogenschouw worden genomen die impliciet gelden of betrekking hebben op het gedrag buiten wedstrijden - verliest dit argument al zijn waarde. Het is dan niet meer relevant of dopinggebruik al dan niet als ‘cheating' in de enge zin van het woord aangeduid kan worden. Door deel te nemen aan de sport zoals die vandaag de dag is georganiseerd, met al zijn impliciete en expliciete regels, accepteren sporters de afspraak dat ze geen doping gebruiken. Als ze dat toch doen, plegen ze contractbreuk.
En lopen ze het risico om tegen de lamp te lopen...
Maar daarover lees je meer in een van de volgende artikelen in deze reeks. Daarin besteden we onder meer aandacht aan de (al dan niet gebrekkige) controleerbaarheid van het dopingverbod, de (on)verenigbaarheid van doping met de ‘spirit of sport', de vraag of het verbieden van doping niet paternalistisch is en in hoeverre gezondheidsrisico's een reden zijn om doping te verbieden.
Maar hoe denk jij over dit onderwerp? Ga naar onze poll en geef je mening!
